dinsdag 14 juni 2016

Kerk voor wie geen kerk wil? Over de worsteling om ‘wij’ te zeggen…

Dit artikel verscheen in 'Voorbij de sprakeloosheid' , een tijdschrift dat verscheen ter gelegenheid van de afsluiting van de opleiding Missionaire Specialisatie, met bijdragen van alle deelnemers aan de opleiding. 

Pioniersplekken en gemeenschapsvorming

Gesteund en gestimuleerd door de Protestantse Kerk is een netwerk van pioniersplekken aan het ontstaan: nieuwe plekken van kerk-zijn voor wie bij de oude geen aansluiting vindt. 
Er is ook een visie geformuleerd met betrekking tot pioniersplekken binnen Missionair Werk; onderdeel daarvan is ‘gemeenschapsvorming’.
In een denktank van de pioniersplek waar ik voor werk (ZIN in Wijk bij Duurstede) heeft het begrip gemeenschapsvorming - als doel op zich -  weerstand opgeroepen. Er is goed gesprek mogelijk over de waarde van ontmoeting en verbinding, maar ondertussen blijft gemeenschapsvorming een norm die verzet oproept. Ze horen er ‘kerk’ in, met alles waar ze juist afstand van willen nemen. Ze zien muren opdoemen en een groep die grenzen trekt met behulp van dogma’s die ze niet meer begrijpen. Terwijl ze openheid zoeken, vrijheid en radicaal respect voor ieders visie. Dat is waarin ze nieuwe wegen willen inslaan. Autonomie lijkt voor hen belangrijker dan het behoren tot een gemeenschap. En – paradoxaal – vinden ze elkaar daarin.
Pionieren begint bij het serieus nemen van en luisteren naar de context om te ontdekken waar mensen zijn en wat ze hopen en verlangen en wat niet. Het betekent Gods aanwezigheid daar ontdekken. Maar wat als velen die de kerk verlaten hebben (of er helemaal buiten zijn opgegroeid) het erg benauwd krijgen van een gemeenschap die iets met kerk te maken heeft? Wat als onze cultuur vraagt om meer vrijheid en een losser verband? Kan dat überhaupt zonder Jezus zelf te verraden? Mag een los-vast verband, een netwerk, nog ‘kerk’ heten? En is het levensvatbaar op de lange duur, want wie zorgt ervoor dat het niet vervluchtigt en verdwijnt?

De ander

De menswording van Christus laat zien dat van-Jezus-Christus-zijn nooit kan zonder de ander. Geroepen zijn door Hem en tot kerk-zijn betekent je iets gelegen laten liggen aan de ander. Want zo laat God zich kennen: door de ander, in een mens, als de ander. Juist de ander die mij vreemd is kan mij iets van God laten zien. Christus zoekt mij op in de vreemdeling, in degene die me tegenspreekt, die me weghaalt uit eigen gelijk en comfortzone. Geloven houdt in dat je naar de ander wordt toegewend. De kerk als leergemeenschap helpt het individu om niet in eigenwijsheid en oppervlakkigheid te blijven steken.[1]
En bovendien: God is te groot en heeft teveel kanten voor het geloof van de eenling.
Als ik voor mezelf spreek: ik kan het niet, alleen geloven. Mijn geloof houdt het niet zonder geloofsgemeenschap, dan vervluchtigt het. Zo geseculariseerd ben ik wel. Maar het is voor mensen van nu niet gemakkelijk om zich te verbinden aan een groep en een overtuiging.

‘Wij’ van de kerk

Er is rond het begrip kerk een worsteling om ‘wij’ te zeggen. De kerk van de eeuwen heeft grote kracht als plek waar iets wezenlijks levend wordt gehouden. Het is een plek van ontmoeting met de Eeuwige, een levende gemeenschap rond het heilige. Maar bestaat het instituut niet teveel voor wie binnen zijn en erbij horen, met daarbij het overeind houden van vertrouwde gewoontes? Hoeveel van die tradities is van God? Gaat het over het leven, is het relevant?  Hebben we het over eindigheid, falen, geluk, over keuzes en het lijden, over existentiële vragen?
Er zijn er steeds meer die zich geen deel van deze kerk voelen. Zij zijn ‘buitenstaanders’, niet omdat ze buiten de kaartenbak vallen maar omdat ze zichzelf zo definiëren: als niet-van-de-kerk.

Autonomie

Er is méér problematisch aan kerk. Als je gaat pionieren, dan komt op een gegeven moment de vraag: is kerk als gemeenschap wel waar zoekers op zitten te wachten? Onze samenleving heeft niet alleen moeite met instituten, maar ook met gemeenschap. Er is moeite om ‘wij’ te zeggen. Velen willen ook geen deel zijn van de groep. Moynagh schrijft in zijn ‘Bijbel’ voor pioniers dat mensen wel geïnteresseerd zijn in spiritualiteit, maar als individu en niet als groep.[2] Mensen moeten gemeenschap leren, is zijn conclusie –  dat kost tijd.
Er is meer dan moeite met het instituut; er is moeite met gezag en een grote behoefte aan autonomie. Er is moeite om te kiezen voor iets groter dan jij zelf, om te kiezen überhaupt. Wij leven een gefragmentariseerd leven, waardoor je uit zoveel ‘stukjes’ bestaat dat er niet één verhaal te vertellen is. Hoe kun je dan kiezen voor één verhaal en andere kansen laten liggen? Mensen willen graag in vrijheid hun eigen weg kiezen.[3]

Ik en wij zeggen

Als onderdeel van de opleiding bezochten we op een maandag de PopUp Church van Rikko Voorberg en VanBoven in de Jeruzalemkerk, waar Bas van der Graaf ons ontving. De PopUp Church vindt plaats rond een gedekte tafel in een wijkgebouw. VanBoven is een plek voor zoekers binnen het kerkgebouw; een galerij van de kerk werd ervoor ingericht en omgebouwd.
Opvallend verschil in hun verhalen was dat, waar Rikko in de ik-vorm sprak, Bas de wij-vorm gebruikte.

Rikko Voorberg is voorganger van een kerk voor mensen die geen kerk willen. Ze zijn buitenkerkelijk, omdat ze zichzelf als niet-van-de-kerk beschouwen. Ze hebben moeite met het instituut. Maar meer dan dat; het zijn mensen die gefascineerd zijn door wat hij als christen te vertellen heeft, maar moeite hebben met overgave. Ze leveren zich niet gemakkelijk over aan een bepaalde levensbeschouwing.
Jezus riep mensen om hem te volgen. Dat was niet vrijblijvend. Het was een oproep tot omkeer en overgave. Zijn leerlingen werden deel van een groep, een ‘wij’ omdat ze zich aan zijn boodschap en zijn persoon verbonden. Het was een rondtrekkend ‘wij’, steeds in beweging. Toen hij na zijn dood en opstanding er (alleen) in de Geest nog was konden zich groepen in die Geest vormen op allerlei plekken. Het was niet meer gebonden aan zijn fysieke persoon. De groepen, die gemeente genoemd werden, kregen een eigen dynamiek. Een ‘wij gevoel’.

Buiten het ‘wij’

Pionieren is buiten dat ‘wij’ gaan staan, tussen degenen die zich daar geen deel van voelen. Pionieren kan betekenen dat je het ‘wij’ van de verbondenheid met Christus als enkeling belichaamt. Buiten de geloofsgemeenschap. Tom de Haan, stadsdominee in Haarlem, doet het onder protest, dat belichamen. Het is immers de taak van ieder die van-de-kerk is om dat te doen.[4]
Pionierende enkelingen als Rikko Voorberg en Tom de Haan kunnen dit alleen door ‘ik’ te zeggen, door zich uit te spreken. Pionieren vraagt om spreken van God en/of handelen vanuit de aanwezigheid van de Eeuwige waar dat niet vanzelfsprekend is, teruggeworpen op jezelf, op God en op de traditie – de schouders van de gelovigen waar je op staat.

Een nieuw ‘wij’, een ontmoetingsplek

Tegelijk vraagt deze geseculariseerde context om een nieuw ‘wij’, om spreken vanuit verbondenheid. Verbondenheid met degenen die God ook zoeken en opmerken, misschien zelfs vieren, in de dagelijkse werkelijkheid. Ook al zijn ze niet van-de-kerk of niet van-Christus.  Zijn ze zoals katholiek theoloog Borgman beschrijft (citerend uit de encycliek Lumen Fidei) zonder het te beseffen onderweg naar het geloof?[5] Laten we hen in ieder geval niet te snel tot het ‘wij’ en ‘het’ geloof van een geloofsgemeenschap rekenen als ze dat zelf niet doen. Het gedeelde verlangen en pogen dat Borgman noemt betekent wel verbinding.
Ontstaat er dan gemeenschap? Er ontstaat ontmoeting waarbinnen deelnemers elkaar uitnodigen om zich uit te spreken over hun bronnen en ‘ik geloof’ te zeggen. Dat is een nieuw-wij, waarin de aanwezigheid van God niet onbesproken en onopgemerkt blijft maar gezocht wordt. Dat is van grote waarde in onze samenleving waar zoveel sprakeloosheid is rondom geloven. Er ontstaat een ontmoetingsplek.

Jezus is gastheer

ZIN en andere pioniersplekken zijn geworteld in het evangelie, in het geloof in Jezus’ unieke betekenis voor mensen, voor hun leven. Dat houdt geen oordeel in over andere overtuigingen. Er wordt verteld over deze ene overtuiging en geluisterd naar andere, vanuit het besef dat er Waarheid is en dat die in Jezus te vinden is, maar niemand de waarheid in bezit heeft.[6] Deelnemers aan de ontmoetingsplek verhouden zich op verschillende manieren, op meer en minder afstand, tot Jezus.[7] Gastheer in dit alles blijft Jezus zelf, ook al wordt hij niet door iedereen als ‘Heer’ gezien. Hij was hij in zijn leven juist voluit in gesprek met wie zoekende of anders denkend was; rondom hem ontstond er zo gemeenschap.

Leergemeenschap

De ontmoetingsplek vormt een nieuw-wij van mensen die willen leren van elkaar. Afgebakend geloof is niet wat deze gemeenschap bepaalt, maar wel het delen van geraaktheid en het oefenen van nieuwe praktijken. Kenmerkend voor deze praktijken is dat het gaat om je openstellen voor de ander en de Ander – in stilte, in gesprek, in luisteren, lezen, delen en vieren. In een individualistische cultuur waarin het ‘ ik ‘ het centrum dreigt te worden wordt geoefend in bewustzijn van méér dan jezelf en grenzen aan autonomie. Een venster dat opengaat naar eeuwigheid.. En zo komt er toch weer gemeenschap in beeld. Niet als formeel doel, maar omdat het evangelie ons leert om anderen – juist hen die er buiten vallen – in te sluiten, omdat we door Jezus’ boodschap toegekeerd worden naar de ander. Zo is de pioniersplek in gesprek met de context: erbij aansluitend en kritisch tegelijk. 
Jos Douma schrijft: het gaat bij praktijken om dingen die christenen samen doen om te groeien in het goede leven.[8] Ik zou verder willen gaan: praktijken verbinden ook christenen en niet-christenen met elkaar binnen een pioniersplek. Het is eerder een leer- en oefengemeenschap dan een geloofsgemeenschap.

Niet los van de kerk

Mensen komen soms maar een keer, of een paar. En vaak zoeken ze ook op andere plekken inspiratie. Is dit kerk voor wie geen kerk wil, deze leergemeenschap van mensen die in beweging zijn? Sommigen noemen zich gelovig, anderen blijven liever ver van zo’n zelf-definitie of herkennen zich niet in wat ‘kerk’ heet. Wie bepaalt wie er van hen ‘christen’ mag heten?
De grenzen tussen kerk en ontmoetingsplek zijn vloeiend. Ook de kerk is een open netwerk waar geen voorwaarden worden gesteld bij binnenkomst, en waar allerlei vormen van commitment bestaan. Daar aarzelen mensen ook om zich een volgeling van Jezus te noemen, omdat ze beseffen tekort te schieten. God die zich laat zien in Christus is het centrum en daarom omheen zijn allerlei posities mogelijk. Toch maken het lidmaatschap, instituut, de sacramenten en het groepsproces dat er grenzen zijn zoekers uitsluiten.
De ontmoetingsplek geeft meer ruimte aan wie worstelt met het ‘wij’ van de kerk. Grenzen spelen er niet zo’n rol. Tegelijk kan de nieuwe plek niet bestaan zonder de ‘oude’. Als referentie-kader dat verondersteld wordt, als institutionele en financiële ondersteuning, als plek waar gebeden wordt voor het nieuwe dat er ontstaat. [9]
Naast de kerk waar mensen ‘wij’ zeggen zijn er plekken met een ‘nieuw wij’ nodig. Jezus zelf is de Heer van de kerk maar hij is ook gastheer van de ‘nieuw wij’ ontmoetingsplek.

Lees het hele magazine... 





[1] J.H.F Schaeffer, Hoeveel ‘kerk’ heb je nodig om te geloven? In: Kontekstueel mei 2011, nr 5 jaargang 25
[2] Michael Moynagh, Church for Every Context. An Introduction to Theology and Practice. London 2012 p. 383
[3] Marianne Moyaert,  Wat nieuwe spirituelen inspireert en drijft is een ervaring van overvloed. Lezing tijdens de studiemiddag Interreligieuze dialoog en nieuwe spirituelen, 16-9-2015 Radboud Universiteit Nijmegen.
[4] Tom de Haan, De dominee kan het niet alleen. Een blog van 12 oktober 2015 op de website NieuwWij
[5] Erik Borgman, Waar blijft de kerk. Gedachten over opbouw in tijden van afbraak. Baarn 2015 p.69
[6] Zie: Sake Stoppels, Waarom eigenlijk? In: Gert Noort e.a. Als een kerk opnieuw begint. Handboek missionaire gemeenschapsvorming. Zoetermeer 2008 p. 232
[7] Zie voor het onderscheid tussen bounded en centered sets als definitie van christen-zijn:
Paul G. Hiebert, Conversion, Culture and Cognitive Categories. In: Gospel in Context I (4) 1978, pp. 24 - 29
[8] Jos Douma, De kerk: instituut en/of gemeenschap? Een blog van 12 oktober 2015 op zijn website Léven in de kerk
[9] Zie: Kees de Groot, Fluïde vormen van kerk-zijn. In: Rein Brouwer e.a. Levend lichaam. Dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland. Utrecht 2007, pp 240 - 280

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen