zaterdag 17 juni 2017

herders op Roze zaterdag

Schapen zonder herder zijn het, die Jezus in beweging zetten in Matteus 9, 36. Afgemat, ziek, zoekend… Jezus zendt de leerlingen uit als herders voor hen, om voor hen te zorgen. Want herders hebben ze nodig.
Ik moest zo aan deze tekst denken gisteren, toen het verdrietige nieuws kwam dat de lhbt gemeenschap niet welkom is in de kathedraal van den Bosch, voor een viering en een zegen van de bisschop op Roze zaterdag. Er waren waarschijnlijk teveel schapen – medegelovigen, en herders – priesters in het bisdom, die moeite hadden met deze open deur.
Het lijkt erop dat de moeite vooral zat in de het feest-gehalte van de Roze zaterdag. Waren het maar alleen gewonde, zichtbaar afgematte, ingetogen schapen geweest, de bezoekers van Roze zaterdag, dan was de deur misschien wel open gegaan. Maar het vieren van het leven, ook lichamelijk, en uitbundig, lijkt een brug te ver.
Les Noces de Cana, Louis Kahn, 1949
Ik troost me met de gedachte, dat Jezus wel aanschoof bij een huwelijk, aan tafels waar vrolijk gedronken en gegeten werd. Hij zag wel, dat daar ook moede en afgematte mensen zaten, op zoek naar een zegen, naar gezien worden door de Eeuwige. Die Jezus zendt zijn herders uit – ook op feesten en partijen, waar de afwijzing wordt weggedanst en het verdriet even vergeten, waar het leven gevierd wordt, tegen de klippen op. Om daar tot zegen te zijn.. om het leven in zijn geheel te zegenen.

maandag 5 juni 2017

Mijn dochter is 14


Mijn dochter is 14. Leeftijdgenoten appen op eerste Pinksterdag geschrokken, dat ze de deur niet meer uit durven...  Op Facebook lees ik dat moeders hun kleine meisjes niet meer alleen buiten laten spelen. Nog geen blokje om mogen ze alleen.
Onze kinderen zijn kwetsbaar en daardoor voelen ouders zich nòg kwetsbaarder.
Want wat als er een chauffeur op de snelweg in slaap valt tijdens hun schoolreis? Wat als er een fanaticus het concert van hun tieneridool als doelwit kiest? Wat als er een kerel zijn gewelddadige seksualiteit niet bedwingen kan? Wat als het kwaad om de hoek is?
We hebben verhalen nodig over goed en kwaad, die ons helpen met het kwaad om de hoek om te gaan.
En nee, niet verhalen waarin alle kwaden tot moes geslagen worden en de goeden zich veilig terugtrekken achter de gordijnen. Want zo eenvoudig is het nu eenmaal niet, om goed en kwaad te onderscheiden.
Kwaad schuilt in iemand van wie je het niet verwacht. En niet per se in degene waar angst zich als eerste aan hecht; degene die anders is dan ik bijvoorbeeld. In mij schuilt ook kwaad.. . het is niet alleen buiten, het is ook binnen.
Er is goed en er is kwaad. Dat is verschrikkelijk, maar het is realiteit. Dat is de wereld waarin wij leven, waarin wij naar buiten moeten. Kwetsbaar als we zijn, gewond door wat ons aanvalt of overkomt. Kwetsbaar: zomaar overmand door kwade gedachten, door donkere wolken en haat van binnenuit.
En daarom hebben we verhalen nodig over hoop, en over dapperheid. Hoop op het goede dat dieper zit dan het kwaad, dapperheid om het kwade te onderscheiden en te weerstaan.
Waarom vertel ik mijn kinderen zo weinig verhalen over Jezus – wie wist beter dan hij van kwaad en en kwetsbaarheid en van hoop? Ik vraag het me vandaag weer af.
Ze hebben die verhalen zo nodig..
Verhalen die moed geven om te onderzoeken wat goed is en wat niet. Verhalen die moed geven om te hopen. Verhalen die moed geven om niet weg te lopen bij wie getroffen wordt, als het kwaad grote gaten slaat.
Moed om te blijven geloven dat onze kinderen in deze wereld van goed en kwaad naar buiten kunnen. Omdat wij hen verhalen geleerd hebben over hoop en dapperheid en kwetsbaarheid.

foto's: Jolinda van de Beukel

*zaterdag is er het ZIN festival ‘Op zoek naar WIJ’ – een plek waar verbindende verhalen worden opgediept en gedeeld.

maandag 29 mei 2017

Jullie zijn het licht

overdenking in de afsluitende viering van de Charismatische conventie 

Het thema van de 42e Hemelvaartsconferentie van de CWN/CWJ was 'Kom tevoorschijn'.
Zelf was ik na bijna 30 jaar weer 'terug' bij de CWN. Het was vertrouwd en vernieuwend tegelijk. En hartverwarmend.
In de zondagmorgenviering mocht ik spreken. Het thema was 'Laat je licht schijnen', bij Matteus 5: 11 - 15
"Jullie zijn het licht van de wereld", zegt Jezus.
Licht, daar werk je niet aan. Het is er.. als het er eenmaal is dan verspreidt het zich en houd je het niet tegen. Het vecht niet, het voert geen strijd. Het straalt alleen maar. Tenzij je er iets overheen zet en je verstopt.

Om tevoorschijn te komen is behalve moed ook veiligheid nodig. Deze conventie is zo’n plek, een plek waar het veilig is. Aan die sfeer van veiligheid dragen al die sprekers die hier op het podium gestaan hebben bij, met hun verhalen waarin ze hun eigen pijnlijke plekken en dat wat genezen en groeien moest niet wegmoffelden.
Niet per se van het ene op het andere moment.. Dineke van Kooten vertelde over haar 14 jaar op bed. Ziek.. en alle tijd om te leren, te ontdekken. Totdat ze weer op haar benen kon staan.
Wat een geduld heb je nodig, soms.. kleine stapjes..

Het is hier niet raar om niet ‘af’ te zijn, en wat niet af is wordt letterlijk liefdevol aangeraakt. Bij de ziekenzalving, bij gebed, zegen – er zijn handen die je aanraken. Ook dat geeft vertrouwen en moed.
Om tevoorschijn te komen, te zijn wie je bent. Met alles er op er aan.
Het is hier niet raar om niet ‘af’ te zijn, om te laten zien dat je leven soms meer op een verknalfuif lijkt dan op een succes feestje. Voor 'onaf zijn' is hier ruimte, omdat er tegelijk vertrouwen is dat er groei is – door de Geest.

Het grootste inzicht dat ik opdeed bij het lezen van deze woorden van Jezus was dat hij: "jullie zijn het licht van de wereld". Hij zegt niet "jij bent het licht". Dat zijn woorden die alleen voor Jezus zelf opgaan. Hij is het licht voor de wereld. Voor ons geldt dat het in meervoud tegen ons gezegd wordt.
Denk niet dat jij het licht van God in je eentje uitstralen moet.
Ik vind het een opluchting Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik heb die neiging wel – om te denken dat ik het alleen moet doen. Alsof het alleen van mij afhangt. En er iets heel erg mis gaat als ik faal. Daar word je bang van. Logisch... En dan ben ik ook nog eens bang om te verbleken in vergelijking met  het licht van een ander. Dan wordt het best moeilijk om tevoorschijn te komen, als jij hèt licht moet zijn.


Toen ik ging scheiden na jaren ploeteren en denken dat er toch een weg moest zijn om het goed te doen viel ik voor mezelf van een voetstuk.
En ik was zelf degene die op dat voetstuk van niet mogen falen geklommen was. Eigenlijk was ik op de stoel van God gaan zitten, met al mijn perfectionisme. Ergens in mijn jeugd had ik de overtuiging opgedaan dat God van mij verlangde dat ik ànders werd, een betere versie van mezelf. Ik zie mezelf nog op de grond zitten in de oecumenische kloostergemeenschap van Taizé, op mijn knieën op de harde grond. Met gebogen hoofd bad ik, dat de negatieve dingen uit mij zouden verdwijnen. Pas later, soppend door de modder op het eiland Iona, leerde ik dat God mij wilde omarmen mèt alles erop en eraan. Het knielen heb ik toen een poosje achterwege gelaten. Nu kan ik het weer zonder dat ik me daarbij onnodig klein maak.*

Je moet van je voetstuk komen om als die lamp op een standaard licht te kunnen verspreiden.
Jezus zegt: "jullie zijn het licht". Die jullie, dat zijn de mensen van de zaligsprekingen, hier vlak voor uitgesproken, die gelukkig genoemd worden. Verdrietig, kwetsbaar, gewond, afgewezen als ze zij. Die ploeterende mensen zijn het die het licht zijn. In wie de Geest van Christus zichtbaar wordt. Het zijn doorschijnende mensen… steeds minder met zichzelf bezig, steeds meer verbonden met Christus.

Jullie zijn het licht van de wereld.... Maar we kunnen het alleen in verbondenheid, dat stralen. Licht in allerlie soorten en maten, flakkerend, bleekjes, vrolijk stralend en even op een laag pitje… samen is het licht voor de wereld. We kunnen het alleen in verbondenheid.
En wie weet… kom op een onverwachte plek iemand tegen, die haar of zijn licht met je deelt. Misschien is het Christus wel, de Geest die je met een liefdevol grapje verrast.
Ga met God, in Gods licht.

* deze passage is afkomstig uit het boek 'Mooi niet alleen'.
foto's: Benne Holwerda





zaterdag 18 februari 2017

Spelen

gepubliceerd in de Geruchten, blad van Op Goed Gerucht

Een workshop waarbij ik niet hoefde te praten wilde ik. Om zo het risico dat ik weer over van alles zou gaan nadenken te beperken. Dus koos ik op Keiland (een week workshops en vieringen, al kamperend met het hele gezin op een groepskampeerterrein op Terschelling) voor een ochtend bewegingstheater. Het lijf mocht het werk doen. We maakten in 3 uur al improviserend een Oerol achtige voorstelling, in het duingebied achter het kampeerterrein. In een eerdere workshop was er ter plekke een land-art ‘decor’ gemaakt. Met hout en ander ‘sprokkel’materiaal was een enorme ritssluiting verbeeld.
Met een groep van 16 kregen we de instructie om over een duin heen dat decor in te kruipen, alsof we de wereld aan het ontdekken waren. Heerlijk was het, om door het duingras en zand (vermengd met geitekeutels van de los lopende geiten) naar beneden te rollen.
De rest ontstond al doende: het werden 2 groepen, die elkaar met zand gingen bekogelen, elkaar insloten, uitdaagden en wegjaagden. De ruimte – een eenzame dorre boom, de ‘rits’ van hout – riep beweging op. Rebecca Schoon, theatermaakster en workshopleider, stileerde de improvisatie en toen we het ’s middags uitvoerden voor mede-kampeerders was het spel een samenhangend stuk geworden. De groep die een ochtend bezig geweest was met muziek uit natuurlijke materialen halen kwam er bij en voegde al kijkend en zich aanpassend hun muziek toe. Wat het precies betekende, daar hadden we het nauwelijks over. Maar al spelend ontstond er betekenis. Als deze snelkookpan-voorstelling die na één dag weer geschiedenis was vaker en langer gespeeld was, dan was er vast een uitgebreider verhaal bij ontstaan. Maar ook zonder die zin-geving was het plezier groot.
“De mens speelt alleen indien hij in de volle betekenis van het woord mens is, en hij is alleen geheel mens, indien hij speelt.” Deze woorden zijn afkomstig van Friedrich Schiller (1796). In de tijd van de Romantiek beschrijft Schiller dat er in de mens 2 tendensen leven: de „redelijke drift‟, die analyseert en begrijpt volgens de regels van het zuivere verstand en de „zintuigelijke drift‟ in hem, die voelt vanuit de rijkdom van het gemoed en ervaart vanuit de ongestadigheid van de lichamelijke behoeften. In het spel komen deze twee samen: het redelijke van de regels en het zintuigelijke van de impulsen.
Ronde, M.A. de (2012), Spelende wijsheid. In: P. Blokhuis e.a. (red.) Vuur dat vuur ontsteekt. pag. 15-24, CHE-uitgave: Ede, 2013
Spel is moeilijk te definiëren. Johan Huizinga die het standaardwerk ‘Homo Ludens’ schreef (    ) noemt dat juist het belangrijkste kenmerk van spelen: het laat zich niet vangen in een functionele beschrijving. Het dient geen ander doel dan het spel zelf. Het creëert een eigen werkelijkheid die vraagt om ‘overgave’.
In de filosofische documentaire ‘Ik speel dus ik ben’ van Human beschrijft Daan Rovers spelen als een volledige onderbreking van de dagelijkse werkelijkheid. Het heeft een duidelijk afgebakende tijd en plaats waarbinnen het dagelijkse even wordt stil gelegd. De eisen waar je normaal aan moet voldoen worden opgeschort en in het spel kun je vervolgens vrij zijn en jezelf tot uitdrukking brengen. Het gaat daarbij niet om toeschouwers te plezieren – spel is bedoeld voor degenen die deelnemer zijn en in het spel zitten en niet voor degenen die langs de zijlijn staan en toekijken. Het spel bestaat voor zichzelf, om erin op te gaan. Schiller zegt: de dwingende realiteit wordt even van zijn troon gestoten.

Spel kan heel serieus zijn; het is per definitie iets wat alleen bestaat bij de gratie van het serieus nemen van de speelsheid zelf, van het erin opgaan. Alleen als je meedoet en je binnen de regels beweegt werkt het. Ga je erover in discussie of ga je aan de zijlijn staan, dan is het spel over.
Spel heeft een theatrale en een competitieve variant; het is een spel ‘om’ iets of een vertoning ‘van’ iets.
Zelf behoor ik tot de categorie mensen die niet ontspannen raakt van een spel waarin gewonnen of verloren kan worden. Van erin opgaan is dan bij mij geen sprake. Voor anderen werkt het juist wel; zij zijn volledig in het spel en denken nergens anders meer aan als ze met een ander wedijveren om de winst. Ook als toeschouwer kunnen mensen zo deel worden van het spel, dat ze het niet meer beschouwen als ‘maar een spelletje’.
De vraag is wel, of wij in onze tijd het spel niet teveel functionaliseren. Tijdens de Olympische Spelen ontstond er een discussie over het beleid van TeamNl manager Maurits Hendriks. Werd het plezier van de sport in zijn aanpak niet te zeer ondergeschikt gemaakt aan de doelstelling zoveel mogelijk te winnen? Is sport nog ‘spelen’ als het alleen op winnen mag uitdraaien?  Als je bij verlies voortijdig op een vliegtuig naar huis wordt gezet, zonder de slot ceremonie van de Spelen mee te kunnen maken? Verliezen is toch ook deel van het spel?
Probleem is wellicht dat het spel hier niet binnen zijn eigen grenzen blijft, maar zich gaat bewegen in de sfeer van economische en andere belangen. Spel om het spel zelf, zonder ander nut dan dat, in sport en kunst, kan zomaar terrein verliezen in onze maatschappij.

Tegelijk is er in onze cultuur een schreeuwende behoefte aan ‘leven in het moment’, aan slow en mindful leven, waarbij èven de eindeloze zorgen, prestatiedruk en verantwoordelijkheden geparkeerd kunnen worden. Al surfend vind een website als playcommunity.nl, een gemeenschap die zichzelf zo beschrijft: “PLAY neemt je mee op een reis naar plekken in jezelf, misschien wel buiten je comfort zone. But hey, we all know where the magic happens right?! Wie ben ik, als ik echt ga voelen, als ik echt ga luisteren naar wat er in mij leeft en mijn hoofd met alle kritische stemmen met rust laat?” Een spelende mens leeft pas echt, dat lees ik hierin.

Huizinga betrekt in zijn beschrijving van het spel ook het ‘heilig spel’: rituelen hebben de zelfde kenmerken als spel. Spel en de omgang met het ‘heilige’ zijn verwant aan elkaar. Binnen een afgebakende ruimte, bepaalde regels en ordening is overgave aan een andere werkelijkheid mogelijk. Opvallend is hoe uitgebreid Huizinga overweegt of hij hiermee religie niet tekort doet, maar hij komt tot de slotsom van niet.
Je zou kunnen zeggen dat net als het spel, de omgang met het ‘heilige’ onder druk staat. De omgang met een andere werkelijkheid die ‘nutteloos’ is, die geen zin heeft dan in zichzelf, die verliest terrein. Het spel en het heilige draaien beide om een vrije ruimte die niet tot iets anders herleidbaar is.
Een fenomeen als mindfulness laat zien, dat omgang met het heilige door meditatie ingevuld wordt op een manier die productiviteit, gezondheid en geluk moet vergroten. De ontmoeting met dat waar je door ontregeld kunt worden en dat zich niet laat terugbrengen tot dat waar je ‘beter’ van wordt verdwijnt uit beeld.
 Henri Nouwen beschrijft al in een boekje uit 19… hoe de mens is in zichzelf gekeerd geraakt, bij gebrek aan voeling met transcendentie. Er is voor velen geen andere werkelijkheid dan deze, en er is dus ook niets anders om in ‘op te gaan’ dan in jezelf en je eigen binnenste.
Mijn vermoeden is, dat het leven daarmee weinig ruimte overhoudt voor spel. Het wordt dodelijk serieus – en daarmee helemaal niet speels - , al draaiend om de eigen as.
Anders gezegd: vraagt of schreeuwt onze tijd niet om 'vrije ruimte’ waar het niet gaat om wat iets oplevert of wat voor functie het heeft? Mag het ook gewoon ‘mooi’ zijn zonder dat er iets mee gewonnen wordt of verdiend? Mag het ‘heilig’ en ‘anders’ zijn zonder dat ik er zelf beter van word? En als theoloog voeg ik toe: is God niet de ultieme vrije ruimte, waar een mens in de ruimte van de genade spelen kan?
Ik verken kort twee gebieden waarop er met het ‘heilige’ gespeeld kan worden.
Liturgie kun je heel goed een heilig spel noemen. Het lijf mag meedoen, door te zingen, te buigen, te knielen, water te voelen of licht te ontsteken. Maar ook woorden die een transcendente realiteit beschrijven hebben iets speels; ze vangen die andere, goddelijke werkelijkheid nooit helemaal. Hoe beter je dat beseft en plezier beleeft aan het woordenspel, hoe beter. En hoe meer eer aan God die zich steeds weer onttrekt, als andere werkelijkheid, aan de ons oog, zeg ik als theoloog. Wie alleen maar inzet op eenduidigheid, ratio en redelijkheid loopt het mysterie mis. Zonder spel wordt het theologiseren dodelijk serieus, in plaats van met overgave serieus en verzandt het spreken al snel in disputen.
In de liturgie wordt de deelnemer uitgenodigd op te gaan in een andere werkelijkheid, en in het spel van de taal is dat ook het geval. Deze zomer las ik van Lauren F. Winner ‘Wearing God. Clothing, Laughter, Fire and Other Overlooked Ways of Meeting God’, een boek waarin verrassende en dagelijkse Bijbelse Godsbeelden worden opgediept, afgestoft en verbonden met dagelijkse realiteit. Winner speelt ermee op een manier die mijn werkelijkheid verbindt met die van God, als ik instap in in het Bijbelse spel van spreken over God.
Het lijf en de taal – beide ontdekken zin zonder dat het bedacht hoeft te worden. Het heeft veel met overgave aan een andere werkelijkheid te maken. Zoals dat ging in het bewegingstheater op een Terschellings duin.

foto's: Wil Kaljouw

maandag 16 januari 2017


Gesprek met Marleen Stelling voor het programma 'Het Vermoeden' (uitgezonden op zondag 15 januari 2017, NPO 2 EO). Bekijken: Het Vermoeden zondag 15 januari 2017